Set met flashcards gericht op het automatiseren van berekeningen procenten en verhoudingen (koppeling 10%, 25%, 50%). Voorbeeldsommen: 10% van 60 = … , Een fiets kost €300. 20% korting = … euro. Nieuwe prijs = … .
10% van 250 = …
25
50% van 48 = …
24
25% van 80 = …
20
20% van 90 = …
18
5% van 200 = …
10
1% van 300 = …
3
15% van 100 = …
15
Zet om: 25% = …/100 = …/4
25/100 = 1/4
Zet om: 50% = …/100 = …/2
50/100 = 1/2
Zet om: 10% = …/100
10/100
Zet om: 75% = …/100 = …/4
75/100 = 3/4
In een klas zitten 20 leerlingen. 25% draagt een bril. Hoeveel? …
5
Een trui kost €40. 10% korting = … euro. Nieuwe prijs = …
€4 korting. Nieuwe prijs = €36
Een fiets kost €300. 20% korting = … euro. Nieuwe prijs = …
€60 korting. Nieuwe prijs = €240
Verhouding 6 : 9 vereenvoudigen = … : …
2 : 3
Verhouding 12 : 8 vereenvoudigen = … : …
3 : 2
In een mengsel is de verhouding siroop:water = 1:4. Hoeveel water bij 3 bekers siroop? …
12 bekers water
Bij verhouding 2:5 is het totaal 21 delen. Hoeveel is 1 deel? …
3 (Totaal 2+5=7 delen. 21/7 = 3)
Een kaart heeft schaal 1:100. Afstand op kaart 3 cm. In het echt = … cm (= … m)
300 cm (= 3 m)
10% van 60 = …
6